Ga naar inhoud

Lelies vermeerderen: schubben, okselbolletjes en zaad

Schubben levert uit een enkele leliebol tientallen nieuwe bolletjes op. Lees wanneer je schubt, hoe je okselbolletjes oogst en hoe lang het duurt tot bloei.

Door 6 min.
Close-up van een leliebol met losse schubben en kleine nieuwe bolletjes op een houten tafel

Kernpunten

  • Uit één grote leliebol haal je met schubben al gauw vijftig nieuwe bolletjes, want elke schub groeit uit tot een of meer bollen.
  • Schubben werkt alleen bij lelies, omdat de bol uit losse schubben bestaat en niet uit gesloten rokken.
  • Het beste moment is de nazomer, augustus tot september, wanneer de bol vol reserves zit.
  • Reken op twee tot drie jaar tot bloei bij schubben en okselbolletjes, en op drie tot zeven jaar bij zaaien.
  • Vermeerder nooit vanaf een tijgerlelie: die draagt het leliemozaïekvirus symptoomloos en geeft het door.
Deel dit

Uit één grote leliebol haal je met schubben al gauw vijftig nieuwe bolletjes, iets wat bij vrijwel geen ander bolgewas lukt. Dat kan omdat een leliebol uit losse, vlezige schubben bestaat en niet uit gesloten rokken: elke schub is in feite een stukje bol met eigen reserves. Daar staat geduld tegenover, want zo’n bolletje bloeit pas na twee tot drie jaar, en bij zaaien duurt het nog langer. Er zijn vier routes, en welke past hangt af van je geduld en van de soort die je hebt.

Vier manieren om lelies te vermeerderen

De vier methoden verschillen vooral in hoeveel ze opleveren en hoe lang ze duren. De onderstaande lijst zet ze naast elkaar.

  • Schubben: de meest productieve methode, tientallen bolletjes uit één bol, bloei na twee tot drie jaar.
  • Okselbolletjes: bovengronds geoogst bij de soorten die ze maken, bloei na twee tot drie jaar.
  • Broedbolletjes: ondergronds aan de stengelbasis, weinig werk, bloei na twee tot drie jaar.
  • Zaaien: alleen zinvol bij botanische soorten, bloei na drie tot zeven jaar.

De pol delen is er strikt genomen een vijfde, maar dat levert geen nieuwe planten op: het verdeelt wat er al is. Hoe deze methoden zich verhouden tot die bij andere bolgewassen, staat bij het vermeerderen van bollen en knollen.

Schubben: de methode die alleen bij lelies werkt

Een tulp of een narcis heeft een rokbol: gesloten schillen om een groeipunt, met een vlies eromheen. Breek daar een stuk af en je hebt een beschadigde bol. Een lelie heeft geen vlies en geen gesloten rokken maar losse, dakpansgewijs geplaatste schubben, en elke schub kan aan zijn voet nieuwe bolletjes vormen. Dat verschil in de bouw van een bol is precies waarom deze techniek bij lelies werkt en elders niet.

Wanneer je schubt en hoeveel schubben je neemt

De beste tijd is de nazomer, augustus tot september, wanneer de bol vol reserves zit en het blad nog groen is. Neem 4 tot 10 van de buitenste schubben en breek ze zo af dat er een stukje van de basale plaat meekomt: zonder dat voetje vormt een schub geen bolletjes.

Een moederbol overleeft dit prima zolang je niet meer dan een derde van de schubben afneemt. Je kunt ook schubben van een verse handelsbol, wat de moederplant in de tuin helemaal spaart; welke maat daarvoor de moeite waard is, staat bij welke leliebollen zich lenen als moederbol.

Warm wegzetten, koud naleggen en uitplanten

Doe de schubben in een plastic zak met licht vochtig vermiculiet of turfmolm en sluit de zak met lucht erin. Zet die zak 8 tot 12 weken donker weg bij ongeveer 20 tot 21 °C. Aan de voet van elke schub verschijnen dan kleine bolletjes.

Daarna moeten die bolletjes hun winter hebben: 4 tot 6 weken in de koelkast bij ongeveer 5 °C. Zonder die koudeperiode blijven ze in rust en komen ze in het voorjaar niet op. Plant ze eind april of begin mei uit op 1 tot 2 cm diepte in doorlatende potgrond.

Hoeveel bolletjes één bol oplevert

Een grote bol telt zo’n 25 bruikbare schubben, en elke schub geeft gemiddeld twee bolletjes. Vijftig bolletjes uit één bol is dus een normale opbrengst, geen uitschieter.

Reken wel op uitval en op verschil in tempo: de eerste bolletjes bloeien na twee jaar, de traagste doen er vier over. Zet ze daarom in een kweekbed of in potten waar je ze apart kunt volgen, en niet meteen tussen de border.

Okselbolletjes en broedbolletjes oogsten

Sommige lelies maken bovengronds kleine, donkere bolletjes in de bladoksels, de okselbolletjes of bulbils. De tijgerlelie is daar het bekendste voorbeeld van en vormt er soms tot honderd per stengel. Oogst ze in de late zomer, zodra ze donkerbruin tot zwart kleuren en gemakkelijk loslaten, en plant ze op 2 tot 3 cm diepte.

Vrijwel alle lelies vormen ook ondergrondse broedbolletjes aan de stengelbasis, boven de moederbol. Die krijg je gratis, en je kunt de vorming ervan stimuleren door wat dieper te planten en grond op te hogen rond de stengel. Bij het rooien of verplaatsen haal je ze eraf en kweek je ze apart op.

Zaaien bij botanische lelies

Zaad geeft geen kopie. Bij hybriden combineren de eigenschappen van beide ouders opnieuw, dus de cultivarnaam vervalt en het resultaat is onvoorspelbaar; waarom een cultivar juist vegetatief in stand blijft, legt de indeling in soorten en cultivars uit. Bij botanische soorten ligt dat anders, want daar is de soort zelf de vorm die je wilt.

Lelies kiemen op twee manieren, en dat bepaalt hoeveel geduld je nodig hebt. Bij epigeïsche kieming komt het zaadlobblaadje meteen boven de grond en zie je binnen weken resultaat. Bij hypogeïsche kieming vormt het zaad eerst ondergronds een bolletje en verschijnt er pas na een koudeperiode blad, wat maanden kan duren. De Turkse lelie hoort bij die tweede groep, en wie martagon-lelies uit zaad kweekt moet op jaren rekenen.

Zaai vers, in het najaar, in een bak buiten of in potgrond binnen, afhankelijk van het kiemtype. De jaarcyclus van een bolgewas verklaart waarom die eerste jaren vooral blad opleveren: de plant bouwt eerst zijn reserve op.

De pol delen na vier tot vijf jaar

Een pol lelies gaat na vier tot vijf jaar vaak minder bloeien, doordat de bollen elkaar in de weg zitten. Rooi de pol dan in september of oktober, nadat de stengel is afgestorven, haal de bollen uit elkaar en plant ze ruimer terug.

Dit is de enige ingreep die je bij lelies uit noodzaak doet in plaats van uit vermeerderingsdrang. Bewaar de bollen tussendoor altijd licht vochtig en koel en nooit kurkdroog, want een leliebol heeft geen beschermend vlies en droogt snel uit. De rest van de jaarlijkse zorg, van water tot pH, staat bij het verzorgen van lelies.

Virus meekweken: het risico van de tijgerlelie

Vermeerderen vermenigvuldigt ook wat er in de plant zit, en bij lelies is dat een reëel probleem. Het leliemozaïekvirus wordt door bladluizen overgebracht en is niet te genezen: een besmette plant blijft besmet, en elke schub, elk okselbolletje en elke deling daarvan draagt het virus mee.

Het lastige is dat je het niet altijd ziet. De tijgerlelie is een symptoomloze drager: de plant oogt volkomen gezond en geeft het virus toch door aan gevoelige hybriden ernaast. Juist die soort maakt bovendien de meeste okselbolletjes, wat de verleiding groot maakt.

Vermeerder daarom nooit vanaf een tijgerlelie of vanaf een plant met vlekkerig of gestreept blad. Ontsmet mes en handen tussen planten door, en werk niet op een dag met bladluisvlucht. Hoe je het virus en de andere kwalen herkent, staat bij ziekten en problemen bij lelies.

Houd er tot slot rekening mee dat een deel van de moderne snijlelies onder kwekersrecht valt. Die selecties mag je voor eigen tuin vermeerderen, maar niet commercieel verhandelen.